OneStat.com Web Analytics

 

Ondergronden en Decopox vloerafwerking
 
 
Correctie van gebreken en voorbehandeling van ondergronden voor Decopox Kunststofvloeren 
 
Decopox kunststofvloeren kunnen op verschillende ondergronden worden aangebracht. De meest voorkomende ondergronden zijn beton en zandcement. Daarnaast, maar in mindere mate, worden Decopox kunststofvloeren toegepast op stalen, granieten, houten en bitumineuze ondervloeren. Voor een goede vloerafwerking is het van belang dat de ondergrond aan bepaalde voorwaarden voldoet. De ondervloer moet voldoende hard zijn, mag niet verontreinigd zijn, dient een aanvaardbaar vochtgehalte te hebben enz. Deze eisen houden verband met de eigenschappen van de aan te brengen kunststofvloer. Hieronder volgen de voorwaarden die voor betonnen en zandcement ondergronden gelden. Zij zijn gedeeltelijk ook van toepassing op andere ondergronden.
 
 
 
1. Beton en zandcement ondervloer
 
1.1 Vochtgehalte
Omdat kunststofvloeren waterdicht en vrijwel waterdampdicht zijn, is het van belang dat de ondergrond voldoende droog is. Het vochtgehalte mag niet meer dan 2,5 vol.% zijn. 
Voor vloeren die afgewerkt worden met een scheuroverbruggende elastische vloerafwerking dient het vochtgehalte op grotere diepte te worden gemeten, b.v. met een CM-Gerät.
Een nieuwe ondergrond dient, alvorens een kunststofvloer wordt toegepast, minimaal 28 dagen oud te zijn.
 
 
1.2 Vloerconstructie
Bij vloerconstructies onderscheiden wij twee soorten, nl. vrijdragende en niet vrijdragende vloeren. Om een duurzame hechting te waarborgen dient men er voor te zorgen dat er geen vochttransport plaatsvindt vanuit de kelder of ondergrond (zand) naar de ondervloer. Een cementgebonden ondervloer moet daarom vrijdragend zijn, goed geventileerd en/of onderkelderd. Indien de vloer niet vrijdragend is, moet deze aan de ondergrond dampdicht geïsoleerd zijn. Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan kan de waterdichte kunststofvloerafwerking door waterdampdruk loslaten/onthechten van de ondervloer.
 
1.3 Cementhuid (slijm- of slikhuid)
De cementhuid van beton belemmert de hechting van kunststofafwerkingen. Er kan niet genoeg de nadruk op worden gelegd dat dit laagje moet worden verwijderd. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Wij vermelden ze in volgorde van doeltreffendheid:
-  Stofvrij stralen;
-  Stofvrij schuren met diamant gereedschap;
-  Frezen;
-  Boucharderen.
 
1.4 Diamantschuren
Deze wijze van schuren is een effectieve manier waarbij een relatief egaal oppervlak ontstaat. Diamantschuren wordt in toenemende mate toegepast. 
 
 
 
1.5 Frezen
Het affrezen van de toplaag (van millimeters tot een centimeter) is een voorbehandelingsmethodiek die zeer effectief is. Hij wordt vaak toegepast wanneer de ondergrond tot op grotere diepte verontreinigd dan wel
onvoldoende structuur heeft. Een nadeel is wel dat een ruw oppervlak ontstaat die vaak weer moet worden uitgevlakt c.q. opgehoogd.
 
 
 
1.6 Boucharderen
Het met pneumatische klophamers/beitels verwijderen van de cementhuid is een erg arbeidsintensieve, maar weldoeltreffende methode, een nadeel is dat de ondergrond ruw wordt.
 
1.7 Druksterkte
Om een duurzame verbinding tussen de ondervloer en kunststofvloer te realiseren, moet de druksterkte van de ondervloer zijn afgestemd op het gebruiksdoel van de kunststofvloer. Immers, de krachten die op de kunststofvloer worden uitgeoefend, worden vrijwel direct doorgegeven aan de ondervloer. Het is daarom niet uitsluitend de druksterkte van de kunststofvloer die bepalend is voor de maximaal toelaatbare belasting, maar ook de ruksterkte
van de ondervloer. De ondervloer dient volledig in staat te zijn de statische en dynamische lasten, zonder ontoelaatbare deformatie, aan de dragende ondergrond (fundering) af te voeren. Alvorens een kunststofvloerafwerking aan te brengen moet de druksterkte van de ondervloer beoordeeld worden. De druksterkte van een cementgebonden ondergrond kan men op eenvoudige wijze meten met een drukvastheidsmeter (hamer) van Schmidt.
Een zandcementvloer heeft een druksterkte van 20-25 N/mm2 (D20-D25).
De druksterkte van beton varieert van 15-40 N/mm2 (C15-C40). Een cementgeboden ondervloer die, nadat de kunststofafwerking is aangebracht, zwaar zal worden belast (rijbelasting van vorkheftrucks, auto's e.d.), dient een druksterkte te hebben van minimaal 22,5 N/mm2,maar bij voorkeur 30 N/mm2. Bij een lichte belasting dient de druksterkte minstens 15 N/mm2te zijn, maar bij voorkeur 22,5 N/mm2.
 
 
 
 
 
1.8 Losse dekvloer en beschadigingen
In de praktijk komt het veel voor dat de zandcementdekvloer of een ander type dekvloer los op de betonnen werkvloer ligt, zonder dat dit met het oog kan worden waargenomen. De losliggende gedeelten ("schollen") kunnen
worden opgespoord door met een hamer de vloer al tikkend af te tasten. Bij de losse gedeelten wordt een hol geluid waargenomen. De op deze manier opgespoorde niet of onvoldoende hechtende gedeelten van de dekvloer
behoren te worden uitgehakt. Hierna kan reparatie plaatsvinden met een epoxymortel of met een minerale mortel. Ook beschadigingen van andere aard kan men het beste met een van deze mortels herstellen.
 
 
1.9 Oliën en vetten
Om een goede verankering van de kunststofvloer te verkrijgen is het beslist noodzakelijk dat een met oliën of vetten verontreinigde ondergrond wordt gereinigd. Daarvoor zijn het geschiktst de z.g. emulgerende ontvettingsmiddelen.
 
1.10 Hulpstoffen
Wanneer in de mortel van de ondervloer versnellers, vertragers of andere hulpstoffen zijn gebruikt is het gewenst van tevoren een proefvlak op te zetten. Bij het gebruik van Curing Compounds deze te allen tijde door middel van (stofvrij) stralen geheel verwijderen.
 
 
1.11 Vlakheid van de ondervloer
Vooral bij gietvloeren (selfleveling vloeren) is het van belang dat de ondervloer goed vlak is. Bij dit type mogen oneffenheden van de ondervloer niet meer dan 3 mm per strekkende meter bedragen. Het is vanzelfsprekend dat gietvloeren niet kunnen worden toegepast op vloeren die aflopend zijn (op afschot liggen). De eisen die aan de vlakheid van de ondervloer worden gesteld, zijn voor een troffelvloer minder kritisch. Toch is het gewenst dat de oneffenheid beperkt blijft tot maximaal 1½ mm met andere woorden: geen punt mag meer dan 1½ mm afwijken van het theoretisch ideaalvlak. Grotere oneffenheden hebben een zeer hoog materiaalverbruik tot gevolg. Oneffenheden kunnen op eenvoudige wijze worden aangetoond door een rechte stalen rij op de vloer te leggen. Bij tegenlicht kan men dan de oneffenheden nauwkeurig waarnemen. 
 
 
1.12 Afschot  

In veel gevallen wordt van een vloer verlangd dat hij op afschot ligt. Dat wil zeggen dat er een zodanig niveauverschil in de vloer is of wordt angebracht, dat water en/of andere vloeistoffen niet in plassen op de vloer blijft staan, maar in één richting van de vloer aflopen naar een goot of put. Voor het op afschot brengen van de vloer kan men om reeds in een dunne laag de vereiste druksterkte te verkrijgen, het beste gebruik maken van Decopox troffelvloer. In geen geval hiervoor een zandcementmortel toepassen, omdat daarmee niet de gewenste druksterkte wordt bereikt. Het afschot van een goede vloer bedraagt 5-10 mm per strekkende meter. Voor het vaststellen van afschot zijn er speciale waterpassen in de handel.

 
1.13 Poederende toplaag
Wanneer door een te snelle verdamping van het water aan het oppervlak van het beton geen volledige hydratatie (reactie van cement en water) heeft plaatsgevonden, kan dit een ongebonden, zanderige toplaag tot gevolg hebben. Deze poederende laag verhindert de hechting van vloerafwerkingssystemen en moet derhalve, op dezelfde wijze als de slijm- of slikhuid, worden verwijderd.
 
1.14 Porositeit
Een geringe porositeit van de ondervloer heeft een gunstige invloed op de hechting van de kunststofafwerking. Bij een te grote porositeit wordt echter bindmiddel aan de opgebrachte afwerklaag onttrokken, waardoor sterkte en
dichtheid van deze laag nadelig kunnen worden beïnvloed. Door zulke poreuze ondervloeren te impregneren met een dunvloeibare kunststofprimer kan de porositeit worden verminderd. Onder hooggevulde kunststofvloerafwerkingen wordt in alle gevallen een primer toegepast. 
 
 
 
1.15 Dilatatievoegen
De dilatatievoegen die in de ondervloer zijn aangebracht dienen in de dekvloer doorgezet te worden. Dit kan men bereiken door tijdens het leggen van de kunststofvloer met bouwfolie beklede latten in de voeg te plaatsen; deze kunnen dan na doorharding van de vloer worden verwijderd. Ook kan de plaats van de dilatatie worden gemarkeerd. De dilataties kunnen dan, als de vloer is verhard, worden ingezaagd.
 
 
 
2. Tegelvloeren
 
Als ondergrond van kunststofvloerafwerking zijn tegelvloeren minder geschikt. Randvoorwaarden waarmee rekening gehouden moet worden zijn: de soort en kwaliteit van de toegepaste tegels, de te verwachten belasting van de vloer, wensen ten aanzien van kleur en structuur en het vochtgehalte c.q. vochttransport in de ondervloer en onder de tegels enz. In ieder geval dient de tegelvloer goed vlak te zijn, de tegels moeten vast in het speciebed liggen en de voegstructuur moet worden uitgevuld tot bovenzijde van de tegels. Om een goede hechting te verkrijgen is het vrijwel altijd noodzakelijk de ondergrond voor te behandelen door middel van stofvrij stralen of diamantschuren.
 
 
3. Granietvloeren
 
Evenals tegelvloeren hebben granietvloeren een glad en gesloten oppervlak. Voor het verkrijgen van een goede hechting is het daarom noodzakelijk de juiste voorbehandeling toe te passen. Deze bestaat uit het intensiefreinigen en ontvetten van de ondergrond en stofarm diamantschuren.

 

 
4. Houten vloeren
 
Planken vloeren moeten overspannen worden met 18 mm watervast verlijmd plaatmateriaal, doorschroefd op 25 x 25 cm raster. De platen worden volgens het tandgroef principe onderling verbonden. De platen om de 20 cm vastschroeven. Aanbrengen van een gewapend vlies.Bij houtconstructies (balkenplaten) is de plaatdikte afhankelijk van de overspanning. De platen worden onderling verbonden boven de steunpunten volgens het tandgroef principe.
 
 
5. Stalen vloeren
Steeds meer stalen vloeren worden voorzien van een unststofvloerafwerking. Daarbij moet vanzelfsprekend aandacht worden geschonken aan de roestwering en de hechting van de kunststofvloer op het stalen oppervlak.
Om die redenen dient het staal eerst zorgvuldig te worden gestraald met een inert straalmiddel. Na het stralen dient het oppervlak te voldoen aan de ontroestingsgraad van Sa 2½. Van koud gewalst staal eventueel vet en/of
roest verwijderen. Zo nodig stralen. Na de voorbehandeling dient direct een staalprimer te worden aangebracht. Daarna kan de vloer op de gewone wijze verder worden afgewerkt.
 
 
6. Asfaltvloeren (bitumen)
Bitumineuze vloeren in een binnensituatie kunnen, na een eventuele voorbehandeling, worden behandeld met vloercompounds op basis van polyurethaan (PUR). In een buitensituatie verdient het aanbeveling deze vloeren geheel te verwijderen, omdat men rekening dient te houden met het feit dat het verouderingsproces en uitdroging van de bitumenvloer na het aanbrengen van een afwerkingssysteem doorgaat. Craquelévorming van de afwerking en daarna onthechting van het totale afwerkingssyteem kunnen dan het gevolg zijn. Voorwaarde voor het behandelen van de vloer is dat deze thermoplastische vloer niet te sterk is gedeformeerd. Deformatie kan door de geringe druksterkte van de gietasfaltvloer gemakkelijk plaatsvinden, vooral bij een geconcentreerde belasting (puntbelasting). In verband daarmee dient de aan te brengen vloercompound ook enigszins elastisch zijn. De vloer dient gecontroleerd te worden op hechting en losse delen.
Het reinigen van de bitumineuze ondergrond kan het beste geschieden met water waaraan 10% Teepol is toegevoegd. Grondig naspoelen met schoon water en de ondergrond goed laten drogen. In geen geval organische
oplosmiddelen zoals tolueen e.d. gebruiken voor het reinigen van asfalt, omdat zij de bitumineuze laag aantasten. In bepaalde gevallen kan het noodzakelijk zijn om de bitumineuze ondergrond te frezen of aan te stralen.
 
 
 
7. Kunststofvloeren  
 
Vloeren, die reeds van een kunststofafwerking zijn voorzien, kunnen na de juiste behandeling met een nieuwe kunststoflaag worden behandeld. Deze voorbehandeling bestaat uit het grondig reinigen en ontvetten van de vloer
mechanisch voorbehandelen (stofvrij diamantschuren) om een goede hechting te verkrijgen. Waar nodig kunnen reparaties worden uitgevoerd met een epoxymortel.
 
 
 
8. Geplakte vloeren (marmoluem en linolium)
 
Geplakte vloeren kunnen bijna niet met een kunststofvloer worden afgewerkt. Als om technische redenen toch een kunststofvloerafwerking gewenst is, dient men de plakvloer volledig te verwijderen, waarbij er op gelet moet worden, dat er geen resten van plak- of egalisatiemiddel op het oppervlak achterblijven.